LOOSALARM



Vanuit mijn keukenraam heb ik uitzicht op een elektriciteitskastje. Het staat een dertigtal meter verderop aan de overkant van de straat tegen een heg. Het kastje verdient geen schoonheidsprijs, maar het is wel noodzakelijk. Onkruid ontsiert de aanwezigheid van het ding nog verder. De bewoners van het aangrenzende huis bekommeren er zich niet om; zij kijken er niet op uit. De overburen wel. Op een ochtend zie ik een buurvrouw de straat oversteken en met een mes het onkruid wegsteken. Weg ergernis! Het voorval deed me denken aan iets soortgelijks, dat ik ooit in een actualiteitenprogramma heb gezien. Maar dan in een groter perspectief en met een veelvoud aan irritatie tot gevolg.


Nog niet zo lang geleden toonden de Fransen hun ware karakter in een milieukwestie die zich decennialang in de rechtbanken voortsleepte. Wat was het geval? Vanaf de jaren dertig loosden Franse kalimijnen, gesitueerd langs de oevers van de Rijn, afvalzouten in de rivier. Stroomafwaarts werd in ons land het Rijnwater gebruikt voor drinkwater en voor bevloeiing in de tuinbouw. Dit zijn botsende belangen, zoals je begrijpt. Door deze lozingen van industrieel afvalwater (en door bestrijdingsmiddelen uit landbouwgrond) was in de jaren zestig de waterkwaliteit van de Rijn op een dieptepunt, met zuurstofloos water tot gevolg.


In 1974 stapten Nederlandse tuinders naar de rechter om de Franse vervuilers aan te klagen voor de toenemende verzilting van de Rijn. ‘Bij internationale onderhandelingen moet je zowat het eeuwige leven hebben,’ sprak politicus Neelie Kroes, indertijd nauw betrokken bij de zaak. Het gevolg was dat er veertien jaar geprocedeerd werd, met een twijfelachtig resultaat.


De rivier met een lengte van 1.300 kilometer, die in Zwitserland ontspringt en door vijf landen meandert, was en is een van de drukst bevaren rivieren ter wereld, maar ook het riool van Europa. Ooit zwom de zalm in de Rijn, maar die is al lang verdwenen. In het naoorlogse Europa was economische groei belangrijker dan het milieu. De ommekeer kwam in de jaren zeventig. Dat was nodig: per dag stroomde 50.000 ton zout via de Rijn Nederland binnen. Een derde hiervan kwam van de Franse kalimijnen. En dat terwijl er twintig miljoen mensen in West-Europa voor hun drinkwater afhankelijk waren van de Rijn. De kalimijnen en de Franse regering bleven zich in de gerechtelijke loopgraven verweren en kregen het gedaan dat er een oplossing voor het probleem kwam met een kostenspreiding over de betrokken landen. Ja, je leest het goed: Nederland ging zelf meebetalen aan het plaatsen van filters in de kalimijnen. Het motto 'de vervuiler betaalt' bleek juridisch gezien nog niet zo makkelijk door te voeren en daar maakte Frankrijk handig gebruik van.


De uiteindelijke komst van rioolwaterzuiveringsinstallaties aan het eind van de jaren zeventig vormde het begin van een herstelperiode, die broodnodig was. Pas in 1987 startten de Fransen met het deels opslaan van zoutafval. Anno 2015 was er beter nieuws te melden: het zout moest inmiddels zo diep uit de bodem gewonnen worden dat het niet meer rendabel was, met sluiting van de Franse zoutmijnen tot gevolg.


Tegen beter weten in dan maar zelf de bron van ergernis veroorzaakt door anderen, gaan aanpakken. Micro en macro lopen we hier wel eens tegen aan. De Fransen kwamen er weer mee weg. 'Faternité' geldt in het land van de ‘baguette’ wellicht alleen voor binnen de landsgrenzen.

Featured Posts