OOG IN OOG MET EEN STRAATROVER




Een op de zeven mensen maakt geweld van dichtbij mee. Ik ben er een van. In augustus 2014 was ik in Marseille voor onderzoek voor een nog te schrijven thriller over mensensmokkel. Ik liep er door de straten, met papier, pen en een flesje water in mijn rugzak, wachtend op ideeën voor verhaallijnen en personages, die gestalte moesten gaan geven aan een omvangrijk werk over alle lagen van deze lucratieve vorm van migrantenvervoer.


Marseille heeft een mooie haven. Honderden toeristen slenteren er rond met voortdurend uitzicht op de kerk Notre Dame de la Garde, die op het hoogste punt van de stad ligt. Door toeval kwam ik op de derde dag – het was een zondag – ergens waar ik beter weg had kunnen blijven. In het centrum was ik impulsief in een lijnbus gestapt met de bestemming Hospital Nord. Een lange rit volgde. Ik kwam in een rustige buurt terecht. Het klinkt raar, maar dat ziekenhuis heb ik nooit gezien. Dat stond verscholen achter een hoge muur; dit merkte ik pas toen de bus bij een halte weer optrok. Enkele haltes verderop stapte ik uit. Er was geen enkele indicatie dat ik op mijn hoede moest zijn: nette mensen in de bus, een ordelijk straatbeeld. Ik liep een straat in die me meteen naar de rand van de stad leidde. Daar was ik alleen. Toen ik terugliep kwam een jongeman me tegemoet. Hij droeg een trainingspak met een capuchon over zijn hoofd. Hij kwam direct op me af en zei: ‘Qu’est-ce que tu veux?’ Meteen daarop sloeg hij me hard op mijn oog. Daarna lapje hij me pootje.


Ik strompelde overeind en zag een denkbeeldige deur opengaan; ik trad binnen en alles dat ik in wezen ben, liet ik achter me. Alleen de confrontatie met het onbekende en met een mogelijke dood tot gevolg, staarde me in het gezicht. In mijn daaropvolgende pogingen bij hem weg te komen, bleef hij me van achteren tegen de grond werken. Hij bleef maar tegen mijn benen schoppen. Ik kwam bij hem weg zonder dat hij iets van waarde kon stelen (behalve het genoemde rugzakje). Terug naar de bushalte, waar gelukkig een flink aantal mensen zat. Dat was mijn redding.


Op weg terug naar het centrum staarden reisgenoten in de bus naar mijn kapotte en met bloed besmeurde broek, mijn geschaafde ellebogen en ontdaan gezicht. Eén mevrouw ontfermde zich over mij en liep met me mee naar een politiebureau. ‘U was er alleen, daar schuilt het gevaar,’ vertelde ze me. Bij het politiebureau was de eerste vraag: ‘Wanneer reist u af naar huis?’ Op mijn antwoord ‘overmorgen’, reageerden ze met: ‘Gaat u maar naar huis, meneer. Aangifte is binnen twee dagen niet te verwezenlijken.’


Dankzij de attente hoteleigenaresse deed ik toch aangifte bij een ander politiebureau. Dat nam een hele dag in beslag. Een begripvolle agent aldaar zei: ‘Ach meneer, dit is vervelend om op vakantie mee te maken, maar hij heeft u in ieder geval niet aan het mes geregen.’ Na thuiskomst lag ik twee weken in bed vanwege een ontstoken been.


Wat doet dit met een mens? Het is toch alweer bijna vier jaar geleden, zou je zeggen. Ik kan er goed mee leven, maar er zijn momenten dat ik weer in Marseille ben. Ik liep laatst om 2.15 uur door een verlaten parkeergarage. Alleen. Vroeger fietste ik na een avondje stappen om 4.15 uur door een mindere buurt van Tilburg naar huis. Ook alleen. Nooit over nagedacht in die tijd. Tussen die twee momenten in trof ik die straatrover. Dat voorval heeft in feite mijn gevoel van veiligheid vermorzeld en dat ontdekte ik (wederom) in die parkeergarage. Dat krijg ik niet meer goed, vrees ik.



Featured Posts