HET KETTINKJE

De oude man woont aan de Zolniery Września in het Poolse plaatsje Oświęcim. Een eenvoudig kalksteen huis met een vrijstaande garage en een ijzer gegoten poort. Elke dag loopt hij dezelfde route met zijn hond, maakt een praatje met dezelfde bejaarde mensen, die voor hun huis op een bank in de zon zitten. De zomers zijn heet in Oświęcim. Zijn hele leven heeft hij hier gesleten. De landsgrens is hij nooit over geweest. Zijn geboortejaar is 1926. Oświęcim was toen nog een rustig slaapdorpje, bevolkt door boeren en andere mensen die eerlijk aan de kost kwamen. Oświęcim was nog Oświęcim.


In 1939 kwam daar verandering in. Er was bedrijvigheid alom. Als kolonisten zonder ontzag voor de oorspronkelijke bewoners – maar misschien is die bepaling overbodig – kwamen ze uit het westen. Militairen waren het. Duitsers. Oświęcim werd Auschwitz.


Heel zijn leven was de oude man – laten we hem Adrian noemen – een eenvoudige arbeider. Loonknecht in de landbouw, de enige sector die hier rendabel was. Hij zag het allemaal aan. Hij was getuige. Toen de eerste bedrijvigheid achter de rug was, zag hij de treinen komen. Hij woonde toen nog met zijn ouders elders in het stadje.


Als kind stond Adrian op een dag langs de rails. De rails waarover 1,3 miljoen mensen werden aangevoerd in wagons die eigenlijk bestemd waren voor vee. Adrian zag ze voorbijglijden. Hij hoorde het gejammer van de mensen. Het rook niet fris. Er viel iets uit een wagon, voor z’n voeten. Adrian raapte het op en bekeek het aandachtig. Het was een kettinkje met een hangertje eraan. Een zilverkleurig paardje. Zorgvuldig borg hij het op en bewaarde het z’n hele leven.


Net als elke dag loopt Adrian met zijn hond langs de rails; de historisch zwaar beladen rails. Er staat een groepje toeristen te fotograferen. Ze poseren met de toegangspoort waar de treinen het kamp binnenreden op de achtergrond. Ze slaan geen acht op hem. Totdat iemand suggereert een foto te laten maken waar ze allemaal opstaan. Een lieve vrouw wenkt hem en gebaart vragend met het fototoestel in de hand. Adrian geeft gehoor aan het verzoek. Als hij de camera teruggeeft, gaat de vrouw met haar hand door haar haren. Adrian ziet een armband verschuiven. Er hangt iets aan, een zilverkleurig paardje. Hetzelfde paardje dat hij thuis in de la heeft liggen. Adrian kan zijn blik niet afwenden; hij wijst ernaar, als een kind.

‘Een mooie hanger, niet?’ zegt de vrouw in een vreemde taal. ‘Het teken van onze familie; al generaties hebben we iets met paarden.’

De vrouw ziet dat de man haar niet begrijpt. Ze glimlacht, knikt vriendelijk en draait zich om.

Adrian wil iets zeggen, maar zijn ongeletterdheid in een buitenlandse taal doet hem zwijgen.

‘De trein …,’ stamelt hij in het Pools.

‘Ja, tot ziens,’ roept de vrouw over haar schouder. ‘En bedankt.’


De literatuurles is bijna ten einde. Zesentwintig leerlingen hebben naar me geluisterd, terwijl ik voorlas uit de vertaalde bundel Poolse herinneringen. Ik zwijg en kijk op uit mijn boek. ‘Dat, beste jongelui,’ concludeer ik, ‘dat is nou non-fictie.’

Featured Posts
Recent Posts